De Toren van de Grote Kerk

De Toren van de Grote Kerk

“Daer staet een Tooren op tot aen de lucht verheven”, dichtte Jacob van der Does in 1668 in zijn loflied op de Grote Kerk. Die toren moest de afgedwaalde reiziger naar Den Haag wijzen. Eeuwenlang was de toren een vast herkenningspunt en bepaalde het silhouet van Den Haag.
De toren, gebouwd met een gift van hertog Jan van Beieren, werd evenals de kerk in baksteen opgetrokken, en is – iets bijzonders in ons land – 6-zijdig. De huidige sierlijke spits – hoogste punt op 92,5 meter – vervangt sinds de 50-er jaren de 19de eeuwse gietijzeren ‘slaapmuts’ die door zijn gewicht scheuren in de toren had veroorzaakt. De huidige spits is ontworpen aan de hand van oude tekeningen, maar iets ruimer dan de oorspronkelijke afmetingen, teneinde plaats te kunnen bieden aan het zwaardere klokkenspel. De zwaarste klokken hangen achter de grote galmgaten.

De houten spits is met koper bedekt. Boven de klokkenlantaren eindigt het 6-zijdige dak in een uivormig bovenstuk, waarop een goudkleurige bol en een liggend kruis, met als afsluiting een 1.80 m hoge windvaan in de vorm van de Haagse ooievaar.

De zandstenen balustrade van de omloop draagt op de hoeken pinakels van Franse natuursteen. Daaronder zijn de wijzerplaten aangebracht die naar 6 kanten de tijd aangeven. Dat was oorspronkelijk niet het geval. De bewoners van de Boekhorststraat hebben in 1647 het verzoek gedaan om voor hun rekening ook aan hun zijde van de toren een wijzerplaat aan te brengen. De wijzerplaten gaven toen nog alleen de uren aan. De minutenwijzers zijn pas in de 19e eeuw toegevoegd.

Toen de kerk in 1810 aan de kerkmeesters werd overgedragen, bleef de toren het eigendom van de gemeente, tot op heden. De toren had dan ook een duidelijke functie voor de veiligheid, zeker omdat Den Haag geen vestingwerken bezat. Vanaf de toren kon men gevaren tijdig signaleren. In 1673 konden Hagenaars, na een duit in een collectezak, de Engelse oorlogsvloot voor de kust zien kruisen. En ook diende de toren als brandwachtpost. Torenwachters waakten ’s nachts over de stad om alarm te slaan bij brand. Om het ½ uur dienden zij ‘hoog van de toren te blazen’, als teken dat zij niet in slaap waren gevallen.

Ook de toren zelf ontkwam niet aan gevaar. Na de fatale kerkbrand van 1539, waarbij ook de toren uitbrandde, ontstond in 1702 door blikseminslag een torenbrand die door het doortastende optreden van burger Abraham Streng geen ernstige gevolgen had. Sinds 1884 maakt een bliksemafleider de torenwachters overbodig.